Close

Belgische wetgeving

In de volksmond spreekt men van “wettige zelfverdediging”. Dit is een enigszins misleidende term omdat het recht om zich te verdedigen niet alleen het eigen leven betreft maar ook het leven van derden en zelfs hun eerbaarheid.

Daarom raden we aan de correctere term van wettige verdediging te gebruiken. 

U moet weten dat het gebruik van geweld beschouwd wordt als een misdrijf van gemeen recht. In principe heeft niemand – behalve politionele diensten (beperkt volgens de wet op het politieambt) – het recht om geweld te gebruiken. Algemeen wordt ook aangenomen dat niemand zichzelf recht mag verschaffen. Daarom wordt de wettige verdediging in het strafrecht beschouwd als een grond van rechtvaardiging. 

Men spreekt dikwijls ook van noodweer. Van oudsher hanteren alle rechtssystemen de notie wettige verdediging als een rechtvaardigingsgrond die op het natuurrecht is gebaseerd : namelijk wie aangevallen wordt, heeft het recht zich te verdedigen. Waar de mogelijkheid onbestaande is dat het rechtssysteem de slachtoffers van misdrijven beschermt, moeten deze in de mogelijkheid gesteld worden zichzelf te beschermen. 

De wettige verdediging wordt in de wetgeving gesitueerd in artikel 416 van het strafwetboek.
Hetgeen luidt als volgt:

Wettige verdediging of noodweer, is het legitieme onmiddellijke en noodzakelijke geweld uitgeoefend door een persoon teneinde een actuele, ernstige en wederrechtelijke bedreiging op de eigen persoon of op te persoon van een ander af te weren, waarbij de bedreiging de fysieke integriteit, de vrijheid of het seksueel zelfbeschikkingsrecht aantast.

Er is sprake van wettige verdediging of noodweer wanneer een persoon ter verdediging van zichzelf of van een ander, een onrechtmatige aanval afweert door middel van slagen, verwondingen of doodslag.


 De feitenrechter oordeelt soeverein over de ernst en de actualiteit van de onrechtmatige geweld, alsook over de noodzaak en de evenredigheid van het verweer. Praktisch zal de rechter toetsen of volgende voorwaarden vervuld zijn :

  1. De aanranding moet gericht zijn tegen personen
    De rechtvaardiging kan ingeroepen worden zowel voor de eigen verdediging, als voor de verdediging van eigen personen.De bescherming van goederen valt buiten het toepassingsveld van de wettige verdediging.
  2. De aanranding moet wederrechtelijk zijn
    Er bestaat geen recht van verdediging tegen het rechtmatig optreden van de overheidsagent, bv. bij een aanhouding.Let wel verzet tegen onwettige handelingen van de overheid wordt aanvaard, maar slechts wanneer deze handelingen kennelijk onwettig zijn.
  3. Het verweer moet ogenblikkelijk zijn
    Als de aanval reeds voltooid is of in geval van toekomstig gevaar, kan geen wettige verdediging ingeroepen worden. Er is dus geen recht op wraak of revanche, waarmee het recht op verdediging niet kan verward worden.
  4. Het verweer moet noodzakelijk zijn
    Dit betekent niet dat de aanval levensgevaarlijk moet zijn. Wel moet zij voldoende ernstig zijn om een onmiddellijk en gewelddadig verweer als noodzakelijk te doen voorkomen. Voor de aangevallene mogen er in redelijkheid geen andere opties overblijven dan een gewelddadige verdediging (vb. het tijdig kunnen inroepen van de overheid).
  5. De afweer moet in verhouding staan tot de aanval
    Een vuistslag wordt niet beantwoord met een dodelijke nekslag. De evenredigheidseis moet met realiteitszin beoordeeld worden.
Bitnami